Afzwaaiend en Aanstormend: een dubbelinterview met Magda Heijtel en Emmeline Bijlsma

07 februari 2020

Afzwaaiend en Aanstormend: een dubbelinterview met Magda Heijtel en Emmeline Bijlsma

Woensdagmiddag, de sfeer op kantoor bij Amsterdam Sloterdijk is geanimeerd. Bij elkaar zitten de voorzitter van de Brancheorganisatie Kinderopvang, Felix Rottenberg, de afzwaaiend directeur, Magda Heijtel en de nieuwe directeur, Emmeline Bijlsma. We gaan bijpraten over de kinderopvang nu en wat komen gaat. Felix legt de vragen voor aan de afzwaaiende en de nieuwe directeur.

Toen je wegging bij Impuls, werd je gevraagd Heidy op te volgen. Waarom heb je toen ja gezegd? 
Magda: ‘Dat kwam voort uit verantwoordelijkheidsgevoel en grote betrokkenheid bij de sector. Ik zat al in het bestuur van de BK en Heidy Knol stopte als directeur omdat zij met haar gezin haar man volgde naar Amerika. Iedereen vond dat jammer. We waren bezig met de opbouw van een organisatie die continuïteit kon gebruiken en dat ging me aan mijn hart. Ik meende naast de continuïteit nog wat extra’s toe te kunnen voegen. Ik heb toen intern gezegd dat ik dit voor een jaar zou doen, ik was immers net weggegaan bij Impuls. Dat is uiteindelijk ruim 1,5 jaar geworden. Na mij zou er dan iemand komen die zich voor langere tijd verbindt aan de BK als directeur. Ik heb het met enorm veel plezier gedaan. Het is een ander vak dan bestuurder zijn van een kinderopvangorganisatie: intensief en complex. Maar al met al heb ik het heel leuk gevonden, en ook de samenwerking met Felix, het bestuur, de staf en de leden. We hebben veel in gang kunnen zetten. Belangrijk vond ik het neerzetten van de visie en positionering van de BK. Maar ook hoe werk je samen in zo’n complexe sector. Hoe maak je de specifieke expertise van de kinderopvang goed zichtbaar. Dat is met het Manifest aardig goed gelukt. Het kan heel effectief in de politieke en maatschappelijke lobby worden.

Ook wilden we de ouders een betere plek geven in de kinderopvang. In het spitsuur van hun leven kan de kinderopvang een hele belangrijke rol vervullen. Dat was nog te diffuus in onze eerdere positionering. Maatschappelijke participatie voor ouders is heel belangrijk en dat heeft nu onze volle aandacht.

Daarnaast wilde ik aan de slag met de arbeidsmarkt en de wetenschap. We zijn in gesprek gegaan met wetenschappers, die op basis van onderzoek onderschrijven dat de diversiteit in de sector een verrijking is. Dat zie je bijvoorbeeld terug in ons interview met Pauline Slot.’

Emmeline, jij bent rondom de Stint actief geworden voor de vereniging. Je hebt een aantal jaren geleden bewust voor de BK gekozen. Waarom?
‘De eerste ledenvergadering van de BK die ik bijwoonde was erg inhoudelijk en interessant. Er was echt ruimte voor gedachtewisseling. Mijn gevoel was: hier heb ik iets aan, hier hebben de leden iets aan, hier heeft de branche iets aan. Deze club heeft toegevoegde waarde, daar wil ik bij zijn.’

Herkende jij je in de richting die Magda vervolgens insloeg?
‘Ja, zeer. Ik zou de rol van ouders, gezien de druk die ze tegenwoordig ervaren nog wat groter maken.’

Je bent natuurlijk ook ervaringsdeskundige, je hebt zelf jonge kinderen…
Magda: ‘Hoe oud zijn ze precies?’
Emmeline: ‘9 en 11’.

Wordt er nog gebruik gemaakt van de BSO?
‘Jazeker, ik ben klant bij mezelf. En ik heb die BSO ook heel hard nodig.’

En beschrijf dan eens die druk op de ouders…
‘Wij zijn een werkend stel met verantwoordelijke banen, waarbij we vaak de hele dag moeten kunnen acteren, we zijn maatschappelijk verantwoordelijk en dan komt er behoorlijk wat op je af. Dan is het fijn als bijvoorbeeld de scholen gaan staken dat de BSO zegt: “kom maar bij ons, we gaan het wéér proberen, al wordt het nog zo lastig”.’

Denk je dat daardoor kinderopvang en BSO nog meer voor ouders kunnen en zullen gaan betekenen?
‘Ja, het gaat allemaal om balans. Voor millennials is die balans steeds belangrijker en die zoeken naar oplossingen om die balans goed te houden. “It takes a village to raise a child,” terwijl we die grote gezinnen van vroeger niet meer hebben. Daardoor moeten kinderen op de kinderopvang leren samen leven in groepen zoals vroeger in grote gezinnen gebeurde.’

Geef eens een paar voorbeelden van wat nu nog op kleine schaal gebeurt, maar wat echt de toekomst is?
‘De kinderopvang kan nog veel meer naast de ouders staan in de opvoeding. Bijvoorbeeld veel ouders worstelen met tablet gebruik. Als opvang kunnen wij daar wel wat mee, bijvoorbeeld experts bij elkaar halen, tips geven aan ouders, zorgen voor uitwisseling tussen ouders. En ervoor zorgen dat kinderen op de opvang juist lekker naar buiten gaan en de tablets laten voor wat ze zijn.’

Magda, voor jou is het dertig jaar geleden. Mij viel op dat jij heel dicht bij de ouders stond – ook bij Impuls. En dat dit dus ook voor jou een grote prioriteit was in de aanscherping van waar wij als BK mee bezig waren. De druk op ouders wordt met de huidige ontwikkelingen alleen maar groter…’
Magda: ‘Het klopt dat de druk op ouders toeneemt, maar ook op kinderen. Je ziet dat er een hele laag van ondersteunend onderwijs is ontstaan, met allerlei bijlessen, omdat het onderwijs niet de noodzakelijke kwaliteit kan leveren.’

Het onderwijs kan dat niet brengen omdat ze te weinig middelen en mogelijkheden daarvoor hebben…
‘Je ziet steeds meer schaduwonderwijs ontstaan, dat wordt steeds groter en is schadelijk voor ouders en kinderen. Ouders moeten nóg meer ballen in de lucht houden. Het onderwijs is niet in staat gebleken om dit jarenlange probleem op te lossen. Ter vergelijking, de kinderopvang is elke keer in staat om te anticiperen op problemen en daar snel een antwoord op te vinden. Kijk naar de Onderwijsstaking, 70% van de organisaties zegt nog steeds: kom maar, terwijl het personeelstekort nijpend is. Hoe goed is dat wel niet! Het onderwijs heeft toch wat meer moeite met het vinden van goede oplossingen voor de vragen die gesteld worden.’

Emmeline: ‘Het onderwijs heeft natuurlijk ook jarenlang gezegd: “wij krijgen alle problemen van de samenleving op ons bordje en dat willen we niet.” Dat snap ik op zich, maar wij als kinderopvang zeggen dan: wij kunnen een deel van die problemen wél op ons bordje hebben.’

Een blik op de toekomst. Ik merkte bij het maken van de film over de Akbarstraat dat het met de bakstenen twintig jaar later een stuk beter is gegaan, maar binnen de stenen, de huizen, beslist onvoldoende. Twintig jaar is dus eigenlijk een relatief korte periode. Waar denken jullie dat we over twintig jaar staan met de kinderopvang?
Emmeline: ‘Over twintig jaar is kinderopvang een stuk verder genormaliseerd.’

Het is nu nog niet normaal?
‘Er zijn nog steeds veel ouders die denken dat kinderopvang echt alleen ‘opvang’ is.'

Dus dat woord dekt de lading niet…
Beiden: ‘Zeker.’

Emmeline: ‘Nog steeds verontschuldigen ouders zich dat hun kinderen naar de kinderopvang gaan. Daar zie ik trouwens wel een kentering. Bij millennials is die opvatting echt anders, die zijn in een andere tijd opgegroeid en voor hen is kinderopvang veel normaler.’

Magda: ‘Ik sluit me aan bij Emmeline. Eigenlijk moet je zeggen: als je je kind niet naar de kinderopvang brengt, dan mist zij/hij iets. De kracht van kinderopvang is het leren leven in groepsverband, het empathische aspect daarvan, de sociale vaardigheden.’

Speelde dit toekomstbeeld een rol in jouw besluit om ‘ja’ te zeggen toen jou gevraagd werd te solliciteren?
Emmeline: ‘Ja, zeker. Ik ben erg van de emancipatie van de vrouw en daar vind ik kinderopvang een inherent onderdeel van. Ik erger me aan de cultuur in Nederland waarbij vrouwen als vanzelfsprekend als eerste gebeld worden door de school of kinderopvang, waarin vrouwen als vanzelfsprekend minder gaan werken als er een kind komt, waarin mannen amper vaderschapsverlof hebben. Dat is helemaal niet meer van deze tijd.’

Je hebt voor een complexe baan gekozen met het directeurschap van de BK. Waarom?
‘Ik heb de opleidingen hoge hotelschool – mijn zakelijke, ondernemende kant – en politicologie – mijn maatschappelijk betrokken kant – gedaan. Ik heb in het bedrijfsleven gewerkt, bij de overheid en was de laatste acht jaar eindverantwoordelijke bij kinderopvangorganisatie Montris. Het afgelopen jaar was ik actief betrokken bij het Stint-dossier, en ik vond onze lobby heel noodzakelijk en vond het boeiend om daar deel van uit te maken. Ik kreeg daardoor zin om weer meer voor de publieke zaak te doen, in dit geval ook nog eens gecombineerd met ondernemerschap.’

Introduceer jezelf nog wat verder. Je hebt bij de Rijksoverheid verschillende rollen vervuld, waardoor je een ruime ervaring met en een kijk op de effecten van lobby hebt. De goede en de slechte. Kan je daar wat meer over vertellen?’
‘Ik werkte bij EZK, daar kreeg ik te maken met de lobby van het bedrijfsleven. Daar zag ik diverse brancheorganisaties voorbij komen. Het is vaak erg ‘Wij van WC-eend adviseren WC-eend’. Daar werd ik sceptisch van. Tegelijkertijd heb ik hele grote projecten gedaan waar VNO-NCW en meer specifieke brancheorganisaties bij betrokken waren – en daarbij ook gemerkt hoe belangrijk het is om het bedrijfsleven op deze manier te betrekken. Wat ik vaak zie en hoor is dat het belangrijk is dat de overheid gevoel krijgt bij de materie. Je moet als brancheorganisatie facts & figures hebben en het moet leven. Het is heel erg van belang mensen uit je achterban bij je te hebben, om de mensen uit het veld, uit de praktijk, uit het bedrijfsleven in te schakelen. Dat geeft kleuring aan rapporten, cijfers en teksten.’

Je hebt ook bij Binnenlandse Zaken gezeten, vertel daar nog eens wat over?
‘Ik zat in een ambitieus programma “Andere Overheid”. Eén van de projecten was heel erg gericht op wat de taken zijn van de overheid, worden die goed uitgevoerd, kan dat niet anders, kan de regeldruk dus verminderd worden?’

Jij hebt toen ook sessies voor de Ministerraad voorbereid…
‘Ja, we werkten dicht tegen de politieke en ambtelijke top aan. Maar het hoogtepunt was het organiseren van een Catshuis-sessie met het hele kabinet. Toenmalig staatssecretaris Mark Rutte was spreekstalmeester.’ 

Transformeer die ervaring eens naar ons toe, naar jouw nieuwe rol als directeur. Waar moeten we in uitblinken als het om lobby gaat?
‘De lobby houdt nooit op, je moet er altijd zijn, je moet nuttig zijn, en niet alleen als jij je puntje wil scoren. Je moet een betrouwbare partner zijn. Laat ook vooral andere partijen om jou heen voor jou spreken en de wetenschap gebruiken is van groot belang. Lobby is dus vooral achter de schermen werken.’

Dat is een rol waar je iedere dag mee bezig bent, lijkt me. Omdat er heel veel tegelijkertijd speelt. Je bent als dagelijks leider van de BK ook directeur lobby en nog vijf/zes borden waar je tegelijk op schaakt. Kan jij dat nog eens aangeven Magda, wat die borden zijn?
Magda: ‘Je doet inderdaad veel achter de schermen. Dat wil je soms graag laten zien, zeker naar de leden toe, maar dat kan niet altijd. Bord één zijn natuurlijk de leden, die staan het dichtstbij en maken de vereniging. Je bent directeur van het bureau en de staf, waar je vaak tien keer per dag mee schakelt, dat gaat heel goed. Dat is bord twee. Bord drie zijn je stakeholders, daarin gaat het vooral om samenwerken en de belangen en visie van de BK goed over het voetlicht te brengen. De belangrijkste zijn BOinK, BMK, PO-Raad, VNG en de vakbond. VNO-NCW is natuurlijk heel belangrijk voor de lobby en belangenbehartiging.

Maar het leukst is toch het contact met de leden. Van belang is om de relatie met je leden goed te onderhouden. Bord vier is de wetenschap, en dat is écht achter de schermen werken. Maar dat zelfde geldt voor de ministeries, die zijn ook heel belangrijk, zowel SZW als OCW. Dat kost veel tijd, altijd maar contact houden en appjes sturen. Dat geldt ook voor de woordvoerders van politieke partijen. Zorgen voor wederzijdse informatievoorziening. En dan heb je natuurlijk altijd ook nog de berichtgeving in de media. Het is schaken op meerdere borden tegelijk eigenlijk, het gaat om samenhang in je handelen.

Tegenwoordig hebben we, om nog even terug te komen op de leden, naast de adviesgroepen en de ALV’s, ook de thematische ‘Expert Labs’ waar leden op ad-hoc basis aansluiten voor een bepaald thema. Dat werkt heel goed, en daar ben ik ook echt enthousiast over.’

Jullie gaan nog een maand samen optrekken. Emmeline, wat zijn jouw plannen over de eerste 100 dagen? Hoe wil je die gaan invullen?
‘De eerste prioriteit: de maatschappelijk-politieke lobby. Dat is de beste manier om te anticiperen op de komende Tweede Kamerverkiezingen en Kabinetsformatie van 2021.’

Daar gebruik je dus bijvoorbeeld de positionering Eigentijdse kinderopvang en het Manifest bij?
‘Ja, ik ga voort op de ingeslagen weg. De weg is prima geplaveid door Magda om op verder te lopen.’

En waar wil je je nou nog eens extra in verdiepen?
‘Ik ben heel benieuwd naar de toekomstvisie van de leden. Welke beelden leven er in de achterban? Hoe zien de leden de toekomst van de kinderopvang? Ik wil dus veel met leden individueel in gesprek en veel op werkbezoek.’

Tot slot, vanuit de helikopter: waar kun je trots op zijn als je over de Nederlandse kinderopvang praat?
Magda: ‘Het allerbelangrijkste is dat er zó veel keuze is en dat de kwaliteit op orde is. Dat ouders kunnen kiezen voor een type opvang dat passend is bij hun wensen. Daarom ben ik zo’n voorstander van marktwerking. Dat stimuleert maatschappelijk ondernemerschap en dat zie je in de praktijk. De innovatiekracht van de organisaties is ongelooflijk en bij elk werkbezoek staan we weer versteld: de sector is innovatief, creatief en actief.’

Emmeline: ‘Daar sluit ik me bij aan, met de toevoeging dat de veerkracht en de wendbaarheid van de sector waanzinnig is.’

Waar zit dat hem in?
Emmeline: ‘Wat we meegemaakt hebben met de bezuinigingen op de toeslagen, arbeidsmarkt, IKK, en hoe de sector daar iedere keer weer een antwoord op weet te vinden.’

Magda: ‘De vitaliteit van bestuurders, ondernemers en pedagogisch medewerkers is enorm.’

Is die veerkracht en wendbaarheid juist zo sterk door de wisselwerking tussen profit en not-for-profit?
Emmeline: ‘Laat ik het zo zeggen: ik heb nog nooit een non-profit sector gezien die zo wendbaar en veerkrachtig is.’

O ja? Waar zit dat in?
Emmeline: ‘In het ondernemerschap. Het gevoel dat je in een ondernemende organisatie werkt en dat dit ook iets uitmaakt, dat wat je doet impact heeft.’

Magda: ‘Het geld komt niet zomaar binnen. Je moet daar wat voor doen. En daar heb je enorme effort voor nodig.’

Jullie zijn beiden directeur-bestuurder geweest van een not-for-profit organisatie en komen ook uit de publieke zaak. Herinner jij nog het moment, Magda, dat je dacht “ik ben ondernemer in een not-for-profit”?
Magda: ‘De organisatiestructuur van de publieke zaak was me een blok aan het been, terwijl de doelstellingen ervan me wel aanspraken. Bij Impuls heb ik de mogelijkheid gehad om de structuur om te vormen naar een ondernemende organisatie. Daar was ik heel blij mee.’

Emmeline, herken jij dit? Jij kwam vanuit de overheid, via een tijd advieswerk, terecht bij Montris Kinderopvang. Dat ondernemen moest daar toen gewoon, toch?
‘Ja, dat moest. Ik kwam bij Montris, een not-for-profit, die niet heel erg ondernemend en zakelijk was. Dat heb ik aangepast. Zakelijkheid en ondernemerschap zijn ontzettend belangrijk om een maatschappelijk doel te kunnen realiseren.’