URGENT: Brancheorganisatie Kinderopvang schort overleg met SZW op

14 juni 2018

URGENT: Brancheorganisatie Kinderopvang schort overleg met SZW op

Donderdag heeft de Brancheorganisatie Kinderopvang aan de directeur kinderopvang van het ministerie van SZW laten weten dat we het overleg opschorten als gevolg van de ontwikkelingen rond de invoering van de Beroepskracht-Kind Ratio (BKR) voor 0-jarigen per 1 januari aanstaande. Dat betekent dat wij geen enkel overleg met SZW meer bijwonen. Wij hebben deze stap niet licht genomen. Wij – als vereniging, maar zeker ook als mens – geloven in constructief overleg. Wij weten dat een deel van onze achterban ons dat niet altijd in dank heeft afgenomen, maar wij hebben altijd gevonden dat we meer kunnen bereiken voor onze leden als we in gesprek blijven. Wij konden nu niet anders dan deze keuze maken.

IKK en BKR
Na afloop van het overleg met de staatssecretaris dinsdag 5 juni jl. bleven wij beduusd achter. Met ongeloof hoorden wij aan dat het praktijkonderzoek van de hand van een in de sector algemeen gerespecteerd onderzoeker door een beleidsmedewerker van SZW in minder dan vijf minuten naar de papierversnipperaar werd verwezen. Er was maar beperkt tijd en er zat een grote groep aan tafel, waardoor er onvoldoende gelegenheid was om door te praten over de argumenten.

Een korte terugblik
Medio 2016 ondertekenden wij het IKK akkoord. Een akkoord op hoofdlijnen dat de kwaliteit van de kinderopvang verder verbetert, dat konden wij namens onze achterban van harte onderschrijven zolang de uitvoering van de maatregelen haalbaar en betaalbaar zou zijn. Belangrijk hierbij was met name de uitwerking van de BKR voor 0-jarigen. In de ontwikkeling van de nieuwe BKR-tabel heeft een onderzoek naar de praktische en financiële gevolgen steeds voorop gestaan bij alle partijen.

Na het bekend worden van de definitieve BKR-tabel (begin 2017), ontstond in onze achterban grote onrust. In de door 300 leden bezochte bijeenkomst in maart 2017 in ’t Spant! in Bussum – ook enkele SZW medewerkers waren bij dat gesprek betrokken – werd duidelijk waarom: de maatregel heeft grote financiële gevolgen. Wij hebben daarop onderzoek laten doen door Ed Buitenhek. De conclusies logen er niet om: de kostenstijging zou gemiddeld ruim 7% zijn met uitschieters van 10-15 % bij kleine locaties.

Wij pleitten vervolgens voor uitstel van de maatregel om nader onderzoek te doen. Dat verzoek werd ambtelijk niet, maar door de minister uiteindelijk wel gehonoreerd.

SEO onderzoek en praktijktoets
Het onderzoek werd gedaan door SEO, begeleid door een groep met onafhankelijke deskundigen. De IKK-akkoordpartijen, waaronder BK, hadden zitting in een klankbordgroep, die zich niet mocht mengen in de onderzoeksopzet. Het proces van deze groep verliep onbevredigend. Wij hebben daarover twee keer indringend met SZW gesproken. Alles leek moeizaam te verlopen: het plannen van afspraken, het tijdig toesturen van rapporten, het inwilligen van verzoeken tot bijvoorbeeld een langer overleg of het inschakelen van een externe deskundige.

SEO kreeg naast het ex-ante onderzoek naar de BKR ook het kostprijs onderzoek gegund. SEO trok zelf het concept rapport daarover terug omdat iedereen het er over eens was dat de kwaliteit ervan slecht was. Het ex-ante onderzoek wekte veel verbazing: waarom was er gekozen voor een theoretisch model? Deze mening deelden de Brancheverenging Maatschappelijke Kinderopvang (BMK) en BOinK met ons. Vandaar onze gezamenlijke vraag om het model door SEO te laten toetsen aan de praktijk. De kinderopvang bestaat nu eenmaal niet alleen op papier maar het gaat over echte kinderen met echte ouders die meer dan één dagdeel komen op fysieke locaties waardoor deze ook beperkingen hebben. Wij vonden dit een alleszins redelijk verzoek, maar het antwoord was en bleef ‘nee’. Meerdere malen hebben we ook tussen overleggen gepoogd duidelijk te maken dat deze maatregel heel veel impact heeft op met name kleine organisaties. Deze maatregel en de onvermurwbaarheid van SZW om de sector ook maar enigszins tegemoet te komen, is koren op de molen van splinter(branche)groepen zoals die nu ontstaan.

Na het overleg met de staatssecretaris vorige week hebben wij (mede namens BOinK en BMK) opnieuw aan de bel getrokken om toch nog een keer met elkaar in gesprek te gaan over het onderzoek en Ed Buitenhek – die het praktijkonderzoek heeft uitgevoerd – te laten uitleggen waarom deze resultaten kloppen. Onze zorgen zijn oprecht en goed onderbouwd. Het gaat niet om gelijk willen krijgen, we hebben er persoonlijk geen belang bij. Dit gaat over echte mensen, kinderen en ondernemers in een sector die van groot belang is voor onze maatschappij: die een basis legt voor heel veel kinderen, die ouders ontzorgt, die een belangrijke rol speelt in de keten rondom het jonge kind. En het stelt ons teleur dat deze breed gedeelde, gefundeerde zorgen om het welzijn van deze mooie, belangrijke maar ook nog kwetsbare sector (net hersteld van een diepe crisis) niet worden gedeeld door ‘onze’ beleidsmakers.

Brief staatssecretaris naar aanleiding van Kamervragen
De druppel voor ons kwam begin deze week, toen we de antwoorden van de staatssecretaris op de Kamervragen van het lid Nijkerken-De Haan lazen. De antwoorden die in deze brief worden gegeven op vragen over de arbeidsmarktproblematiek liggen mijlenver af van de praktijk van onze leden.

Feit is dat er 2500 medewerkers extra nodig zijn om de nieuwe BKR voor 0-jarigen in te voeren. Die kunnen niet uit de Buitenschoolse Opvang (BSO) gehaald worden omdat daar momenteel al een tekort is. Daarbij: de nieuwe BSO-BKR leidt hooguit tot extra kinderen per medewerker, waardoor het op macro niveau wellicht lijkt of er mensen over zijn. Maar dat is opnieuw (net als het SEO onderzoek) een papieren exercitie. Zo werkt de praktijk nu eenmaal niet. Voorbeeld: de gemiddelde BSO bestaat uit 20 of 40 kinderen en is verticaal (4-12 jaar). Deze groepen hebben nu 2 of 4 pedagogisch medewerkers. Deze medewerkers hebben dan straks 22 of 44 kinderen, mits er genoeg kinderen op een wachtlijst staan en er de wettelijk benodigd aantal vierkante meters zijn. Waar blijft er hier een pedagogisch medewerker over?

In de brief wordt gesteld dat pedagogisch medewerkers dan maar meer moeten gaan werken. Zelfs als medewerkers (97% vrouw, parttime, veelal zelf kinderen) dat zouden willen, dan nog ligt de piek van het werk nu eenmaal op maandag, dinsdag en donderdag. En je kan een medewerker nu eenmaal niet twee keer op dezelfde dag inzetten. Daarbij: de contractomvang van BSO en peutergroep medewerkers haalt het gemiddelde fors omlaag, als gevolg van de beperkte openstelling per dag van deze vorm van kinderopvang. In de dagopvang werken medewerkers vaak 3 tot 4 dagen per week, hetgeen neerkomt op 27 tot 36 uur. In de kinderopvang is 36 uur de omvang van een fte.