Van een giftige blackbox bevrijd | 28 juni 2017

Van een giftige blackbox bevrijd

Door Felix Rottenberg

Het dagboek van een onderhandelaar van Ed van Thijn uit 1978 is nog steeds een fascinerend handboek voor dealmakers. Haarfijn beschrijft de onderhandelaar hoe hij door eigen toedoen in het zwaard van Dries van Agt valt. Onvoorstelbaar: een grote verkiezingsoverwinning resulteerde in een dramatische nederlaag. Ervaren rotten als Ed Nijpels en Pieter Winsemius hoor ik eveneens graag. Zij liepen als VVD bewindslieden voorop bij het invoeren van stevig milieubeleid. Daar zat het bedrijfsleven in de jaren tachtig niet op te wachten.

Toch kregen ze het voor elkaar omdat ze hun ambtenaren altijd de opdracht gaven alternatieven in kaart te brengen waardoor onderhandelingen ervaren werden als een constructieve uitruil. Winsemius waarschuwt altijd voor het boemerangeffect – als de andere partij zichzelf bedreigt voelt en in de hoek wordt gedrukt en met machtsmiddelen wordt gezwaaid, is het spel voor iedereen verloren.

Toen ik vorig jaar juni aantrad als voorzitter van de Brancheorganisatie Kinderopvang werd ik regelmatig bijgepraat over IKK en het onderdeel BKR door de onderhandelaars uit ons bestuur, Esther Zijl en Jeroen Nusteling. Het duizelde mij vaak, dit was Arabische grammatica van de eerste orde: verschrikkelijk complex, ook voor de experts. Ik nam bijles om het te begrijpen.

Esther en Jeroen hebben een reconstructie gemaakt van een jaar onderhandelen. Dat is een eerlijk en openhartig relaas dat we zullen delen met onze leden, de directie Kinderopvang van het Ministerie van Sociale Zaken maar ook onze partners als FNV, BoinK, SWN en BMK om na te denken hoe bij toekomstige onderhandelingen voorkomen kan worden dat complexiteit het wint van kwaliteit en de redelijkheid.

In de vakliteratuur wordt zo’n uitkomst als ‘giftige black box’ omschreven. Tijdsdruk maakt het nog erger. Niemand is gelukkig, de terugkoppeling naar de achterban is onvoldoende – het duurt vervolgens enige tijd voordat de nadelen en ongunstige effecten duidelijk worden.

Zo ging het met de BKR. De Beroepskracht-Kind Ratio van 1:3 was een kostenverhogende maatregel met ingewikkelde gevolgen voor de bedrijfsvoering van kinderopvang organisaties. Tijdens het ontwerpproces van de onderhandelingen is door niemand adequaat gerekend of nagedacht over het feit dat je door minder baby’s ook minder oudere kinderen kan hebben. Jeroen Nusteling legde me dat vorige week op drie bierviltjes uit: 'Het grote nadeel is dat in de werkwijze van de nieuwe BKR opzet er ‘sprongen’ optreden. Bijvoorbeeld als een ouder kind doorstroomt en een nieuw jonger kind in de groep komt. Dan kan zomaar je groep vol zitten omdat sommige combinaties niet meer mogen of dat het nieuwe kind niet kan worden geplaatst. Dat is niet op te lossen door een computer, plannen wordt echt heel ingewikkeld’.

'Dat is de reden', benadrukt Esther Zijl, ‘waarom voortdurend is gevraagd om onafhankelijk kostenonderzoek voor de invoering van nieuwe wettelijke maatregelen. De compensatie van de nieuwe BKR was niet toerekenend, de macroberekeningen vertaald naar micro niveau klopten niet'.

Achteraf gezien hadden wij als bestuur van de BK in de herfst dwars moeten gaan liggen omdat de financiële onzekerheid veel te groot was. Dat wij dat niet gedaan hebben, is ten volle onze en mijn verantwoordelijkheid. Het is natuurlijk niet niks om zo’n stap te zetten, om een breed overleg met vier andere partijen te verstoren. Maar wij hebben ook een belangrijke zorgplicht voor kleine organisaties en ondernemers voor wie het berekeningsmodel van de 1:3 zeer ongunstig zou uitvallen.

Uit een onderzoek onder onze leden bij in totaal 781 groepen dagopvang verspreid over het land zijn op ons verzoek door onderzoeksbureau Buitenhek de kosteneffecten berekend vanwege de hogere personele bezetting die door de IKK wettelijk wordt voorgeschreven. Uit die inventarisatie bleek dat organisaties met kleinschalige locaties grotere kosteneffecten hebben dan ondernemers met meer kindplaatsen per locatie. Vooral de kosteneffecten op de zogenaamde halve groepen bleken veel groter omdat de extra kosten van een extra beroepskracht over een lager aantal kinderen verdeeld moet worden.

Met de uitkomsten van Buitenhek in de hand hebben wij samen met onze directeur Heidy Knol contact gezocht met woordvoerders van de politieke partijen in de Tweede Kamer. Leden van de BK hebben de minister aangeschreven. Wij hebben één en andermaal vanaf eind maart wekenlang op onze site de alarmklok geluid.  

We hadden onze onderhandelingspartners bij de toezending van het rapport van Ed Buitenhek nog explicieter moeten aankondigen dat wij het gesprek met de Tweede Kamerwoordvoerders zouden aangaan omdat wij ons ernstig zorgen maakten over de onvoldoende compensatie van de kosten.

‘Kinderopvang,’ zei een expert onlangs, ‘is een postzegel waar alles op samenvalt: GGD inspectie, toelage via de belasting, arbeidsmarktbeleid en inkomensbeleid.’ Bij onderhandelingen zit een breed en (te) groot geschakeerd gezelschap met verschillende belangen en opvattingen aan tafel. De kunst is daarom vooraf een onderhandelingsproces vorm te geven, dat kan voorkomen dat  een oplossing wordt geforceerd die vroeg of laat een granaat blijkt te zijn. Het uitstellen van de invoering van de BKR tot 1 januari 2019 door minister Asscher is meer dan een adempauze – het geeft een morele garantie dat de uitkomsten van het kostprijsonderzoek door iedereen bekwaam ter hand worden genomen.

Gerelateerde dossiers Politiek & Wetgeving IKK